De eeuwreiziger

He-eeft u het kou-oud? vroeg de koetsier met hortende stem vanwege het schokken van het rijtuig. N-n-eee hoor, dank u w-w-wel! antwoordde Hans bibberend.
De lantaarns slingerden mee op de cadans van de galop. De wielen spuwden modder. Bij iedere kuil bogen de assen vervaarlijk door alsof ze ieder moment konden breken. De paarden spanden hun kaken en stootten wolken uit hun bek. Boven de lijn van de horizon zwierf een vale maan.
Al een tijdlang tekende Wandernburg zich in de verte af, ten zuiden van de weg. Maar zoals wel vaker gebeurt na een afmattende dag, dacht Hans, was het net of die kleine stad zich samen met hen verplaatste. Boven de koets hing een loodzware lucht. Met iedere zweepslag van de koetsier werd de kou bijtender en krompen de contouren van de dingen ineen. I-is het n-nog ver? vroeg Hans terwijl hij zijn hoofd door het raampje naar buiten stak. Hij moest zijn vraag een paar keer herhalen voordat de koetsier zijn luidruchtige bezigheid onderbrak, met zijn zweep wees en riep: U zie-iet het! Hans wist niet of dat betekende dat ze er zo zouden zijn of dat je maar nooit kon weten. Aangezien hij de laatste passagier was en niemand had om mee te praten, sloot hij zijn ogen.
Toen hij ze weer opende zag hij een stenen stadsmuur en een gewelfde poort. Naarmate ze dichterbij kwamen bespeurde Hans iets eigenaardigs in de robuustheid van de muur, een soort waarschuwing dat het moeilijker was er te vertrekken dan om er binnen te gaan. Bij het zwakke licht van de lantaarns ontwaarde hij de silhouetten van de eerste gebouwen, geschubde daken, spitse torens, gewervelde ornamenten. Hij had het gevoel dat hij een plaats binnenging die net was verlaten, dat de kletterende hoeven en het geratel van de wielen op de keien te hard weergalmden. Overal was het zo stil dat het leek alsof iemand hen met ingehouden adem stond te bespieden. De koets draaide een hoek om, het geluid van de hoeven werd doffer: het wegdek was nu onverhard. Ze reden door de Oude Ketelstraat. Hans zag een ijzeren uithangbord schommelen. Hij gaf de koetsier te kennen dat hij moest stoppen.
De koetsier stapte van de bok, en toen hij grond onder zijn voeten voelde was hij even van slag. Hij deed een paar stappen vooruit, keek naar zijn voeten en lachte verward. Hij aaide het voorste paard over zijn rug en fluisterde een paar woorden van dank, die het dier briesend beantwoordde. Hans hielp de koetsier de touwen van het bagagerek los te maken, het natte zeildoek terug te slaan en zijn koffer en een grote kist met twee hengsels naar beneden te tillen. Wat heeft u híérin, een lijk? klaagde de koetsier terwijl hij de kist op de grond liet vallen en in zijn handen wreef. Niet één, glimlachte Hans, meerdere. De koetsier lachte rauw, al schoot er een vlaag van schrik over zijn gezicht. Blijft u hier ook overnachten? vroeg Hans. Nee, zei de koetsier, ik ga door naar Wittenberg, daar weet ik een goede slaapplaats en er is een gezin dat naar Leipzig moet. En met een schuine blik op het piepende uithangbord zei hij: Weet u zeker dat u niet verder wilt? Dank u, zei Hans, het is goed zo, ik moet echt uitrusten. Zoals u wilt, meneer, zoals u wilt, zei de koetsier, waarna hij een paar keer zijn keel schraapte. Hans betaalde hem, weigerde het wisselgeld en nam afscheid. Achter hem klonk een zweepslag, krakend hout, en roffelende hoeven verdwenen in de verte.
Pas toen hij alleen met zijn bagage voor de herberg stond voelde hij zijn rug steken, zijn spieren trillen en zijn slapen suizen. Het was alsof hij nog steeds door elkaar gerammeld werd, alsof de lichten nog flikkerden en de stenen bewogen. Hans wreef in zijn ogen. Door de beslagen ruiten van de herberg was niets te zien. Hij klopte op de deur, waaraan nog steeds een kerstkrans hing. Er kwam niemand. Hij probeerde de ijskoude klink. De deur gaf stroef mee. Hij zag een gang, verlicht door aan haken opgehangen olielampen. Hij voelde de behaaglijke warmte die er hing. Aan het eind van de gang waren knetterende vlammen te horen. Moeizaam sleepte Hans zijn koffer en kist de herberg in. Onder een van de olielampen bleef hij staan en probeerde warm te worden. Hij schrok toen zijn oog op meneer Zeit viel, die vanachter de balie naar hem stond te kijken. Ik wilde net de deur voor u opendoen, zei hij. De waard bewoog extreem langzaam, alsof hij klem zat tussen de balie en de muur. Hij had een buik als een grote trom en rook muf. Waar komt u vandaan? vroeg hij. Ik kom net uit Berlijn, zei Hans, maar dat maakt eigenlijk niets uit. Voor mij maakt het wel degelijk uit, waarde heer, onderbrak meneer Zeit hem, zonder te beseffen dat Hans iets anders bedoelde. En hoeveel nachten denkt u te blijven? Ik denk één, zei Hans, ik weet het nog niet zeker. Brengt u me dan alstublieft op de hoogte zodra dat wél het geval is, antwoordde de waard, we willen graag weten welke kamers er de komende tijd vrij zijn.
Meneer Zeit pakte een kandelaar. Hij leidde Hans door de gang en een trap op. Hans zag hoe de bolle gestalte voor hem zich tree voor tree omhooghees. Hij vreesde dat de man elk moment boven op hem zou kunnen vallen. De hele herberg rook naar brandende olie, naar zwavel van lonten vermengd met de geur van zeep en zweet. Ze liepen over de eerste verdieping en gingen nog een trap op. Hans vond het vreemd dat alle kamers zo te zien onbezet waren. Op de tweede verdieping bleef de waard staan voor een deur waar met krijt een 7 op was geschreven. Terwijl hij weer op adem kwam verklaarde hij trots: Nummer 7 is de beste. Hij haalde een ring uit zijn zak, een enorme ring vol sleutels, en na herhaalde pogingen en stille verwensingen gingen ze naar binnen.
Met de kandelaar in zijn hand trok de waard een spoor door de duisternis tot aan het raam. Toen hij de luiken opende stootte het raam een klank van stoffig houtwerk uit. Het licht van de straat was zo zwak dat het in de schemering haast als gas verdampte en het vertrek er maar nauwelijks door werd verlicht. ’s Morgens is het hier behoorlijk zonnig, beweerde meneer Zeit, hij ligt op het zuiden. Hans kneep zijn ogen samen om iets te kunnen zien. Hij zag een tafel en twee stoelen. Een bed met een paar opgevouwen wollen dekens. Een zinken badkuip, een po met roestvlekken, een waskom op een driepoot en een lampetkan. Een uit hout en baksteen opgetrokken schoorsteen met een schoorsteenmantel die zo smal was dat er onmogelijk iets op kon staan (alleen de 3 en de 7 hebben een haard, vermeldde meneer Zeit). Aan de zijkant hing wat stookgerei: een schep, een blik, een zwartgeblakerde tang en een bijna kale stoffer. In de haard lagen twee verkoolde stukken hout. Aan de muur tegenover de deur, tussen de tafel en de badkuip, ontdekte Hans een schilderijtje waarvan hij vermoedde dat het een aquarel was, al kon hij het niet goed zien. En nog iets, zei meneer Zeit ten slotte plechtstatig, terwijl hij de kandelaar bij de tafel hield en zijn hand eroverheen liet glijden, dit is echt eiken. Verguld streelde Hans het blad. Hij keek naar de kandelaars met vetkaarsen, naar de verroeste olielamp. Ik neem hem, zei Hans. Meteen daarop voelde hij dat meneer Zeit hem uit zijn pandjesjas hielp en die aan een van de spijkers naast de deur hing: de kapstok.
Vrouw! brulde de waard, alsof hem plotseling iets te binnen schoot. Vrouw, kom! We hebben een gast! Direct kwamen er voetstappen de trap op. Vanachter de deur kwam een forse vrouw tevoorschijn, gekleed in een katoenen jurk en een schort met een enorme zak ter hoogte van haar borst. In tegenstelling tot haar man bewoog mevrouw Zeit zich snel en doelmatig. In een mum van tijd verwisselde ze de lakens op het bed voor een stel minder gele, veegde rap de vloer, en ging naar beneden om de kan met water te vullen. Zodra ze terugkwam dronk Hans gretig, bijna zonder adem te halen. Breng jij zijn bagage boven? opperde meneer Zeit. Ze zuchtte. Haar man concludeerde dat die zucht ja betekende, knikte Hans gedag en verdween naar beneden.
Op zijn rug op bed betastte Hans met zijn tenen de ruwe lakens. Terwijl zijn ogen bijna dichtvielen meende hij gekrabbel onder de planken van de vloer te horen. Toen hij in slaap viel kon het hem allemaal niets meer schelen en zei hij bij zichzelf: Morgen pak ik mijn biezen en ga ik ergens anders heen. Als hij een kaars bij het plafond had gehouden zou hij de grote spinnenwebben aan de balken hebben ontdekt. Gevangen in de spinnenwebben zakte een insect, draad voor draad, samen met Hans weg.

Hij stond laat op en had honger als een paard. Een warm zonnetje kringelde over de tafel en vloeide stroperig over de stoelen. Hans waste zich bij de kom, opende zijn koffer en kleedde zich aan. Vervolgens liep hij naar het schilderijtje en stelde vast dat het inderdaad een aquarel was. De lijst vond hij te opzichtig. Hij haalde het van de muur om het beter te bekijken en ontdekte dat er op de achterkant een spiegeltje zat. Hij hing het weer op met de spiegel naar voren. Daarna vulde hij de waskom met het water dat nog in de kan zat, brak een stuk zeep af en pakte zijn scheerkwast, zijn scheermes en zijn geurwatertjes. Hij schoor zich fluitend, zonder te weten wát hij precies floot.
Op weg naar beneden kwam hij meneer Zeit tegen, die een schrift bij zich had en naar boven klom alsof hij een voor een de treden telde. Meneer Zeit vroeg hem vóór het ontbijt de afgelopen nacht te betalen. Dat is een huisregel, zei hij. Hans ging naar zijn kamer, kwam terug met het exacte bedrag, plus een stuiver fooi, en overhandigde het de waard met een schampere glimlach. Eenmaal beneden keek hij nieuwsgierig rond in de herberg. Aan het eind van de gang zag hij een groot vertrek met een haard, waarin een ketel hing. Voor het haardvuur stond een bank, die, zoals Hans constateerde, ver inzakte als er iemand op ging zitten. Aan de andere kant van de gang was nog een deur, waarachter zich, naar hij veronderstelde, de woning van de Zeits bevond en waarnaast een kleine dennenboom stond die versierd was op een verfijnde manier, die hij niet bij hen vond passen. Hij ontdekte een achterplaatsje met latrines en een beerput. Hij maakte van een van de hokjes gebruik en kwam er opgelucht uit. Weer buiten werd zijn aandacht getrokken door een mengeling van geuren. Hij liep snel naar binnen en zag dat mevrouw Zeit in de keuken snijbiet stond te hakken. Hammen, saucijzen, bloedworst en spek hingen als lome wachters aan het plafond. Boven het haardvuur hing een stoofpot te pruttelen. Door de rijen koekenpannen, lepels, potten en pannen viel de ochtend in stralen uiteen. U bent laat, gaat u zitten, gebood mevrouw Zeit zonder haar blik van het mes af te wenden. Hans gehoorzaamde. Normaal gesproken dienen we het ontbijt in de zitkamer op, ging mevrouw Zeit verder, maar gezien het uur van de dag kunt u nu beter hier eten, ik moet op het vuur blijven letten. Het tafelblad lag bezaaid met groenten, uitlekkend vlees en gekrulde aardappelschillen. Een kraan druppelde boven een tot aan de rand met vaatwerk gevulde gootsteen. Daaronder stonden platte manden met hout, steenkool en koolgruis opgestapeld. Achterin, samengeperst tussen kannen en kruiken, lagen zakken peulen, rijst, meel en zemelen. Mevrouw Zeit droogde haar handen af aan haar schort. In één haal sneed ze een stuk brood doormidden en besmeerde het met jam. Ze zette een kom voor Hans neer, vulde die met schapenmelk en deed er zo’n scheut koffie bij dat hij overliep. Wilt u eieren? vroeg ze.
Met de naargeestigheid van de vorige avond nog in gedachten verbaasde Hans zich over de bedrijvigheid in Wandernburg, het leven op straat. Hoewel er in de drukte een zekere behoedzaamheid viel te bespeuren, werd het hem duidelijk dat de stad wel degelijk bewoond was. Hij liep rond zonder doel. Nu eens meende hij in de bochtige straatjes te zijn verdwaald, dan weer kwam hij op hetzelfde punt uit als waar hij was vertrokken. Hij merkte dat de koetsiers van Wandernburg vermeden in te houden om de mond van hun paarden te sparen en hem nauwelijks tijd gaven opzij te springen. Tijdens zijn wandeling viel het hem verder op dat er vitrages voor ramen open en dicht werden geschoven. Hans had een paar keer geprobeerd beleefd naar een raam te glimlachen, maar de schimmen hadden zich onmiddellijk teruggetrokken. Fijne sneeuw, die de lucht wit dreigde te kleuren, werd opgeslokt door mist. Zelfs de duiven verdraaiden hun kop om naar Hans te kijken als ze over hem heen fladderden. Daas van het gekronkel van de straten en met zere voeten van de keien bleef Hans op het Marktplein staan om uit te rusten.
Op het Marktplein kwamen wegen uit alle richtingen van Wandernburg samen, het was het centrum van de kaart. Aan de ene kant stond het stadhuis met zijn rode dak en puntige gevel. Aan de andere kant verhief zich de Windtoren. Gezien vanaf de straat was het opvallendste van de toren zijn vierkante klok, die de uren over het plein strooide. Maar van bovenaf bekeken was het meest indrukwekkende de pijl van de windwijzer, die trilde, knarste en besluiteloos heen en weer draaide.
Behalve kramen met levensmiddelen waar mensen hun inkopen konden doen, stonden er op het Marktplein ook boeren uit de omgeving met volgeladen karren. Anderen boden zich aan als losse arbeidskracht voor wat er die dag voorhanden was. Om een of andere reden, die Hans maar niet kon bevatten, prezen de marktlui hun waar niet luidkeels aan en werden aankopen bijna fluisterend afgehandeld. Bij een van de kramen kocht hij fruit. Hij bleef nog wat hangen op het plein en vermaakte zich met het tellen van de vitrages die bewogen als hij voorbijkwam. Toen hij opkeek naar de klok van de Windtoren realiseerde hij zich dat hij de postkoets van die middag had gemist. Gelaten dwaalde hij een paar keer in kringetjes rond voor hij de Oude Ketelstraat terugvond. De avond was gevallen als een doek.
Zwervend tussen bemoste bogen en schaarse straatverlichting was Hans in de schemerige straten van Wandernburg door hetzelfde gevoel bekropen dat hem bij aankomst had overvallen. Hij had gezien hoe de inwoners zich gehaast, om niet te zeggen angstig, naar huis begaven. De mensen waren afgelost door honden en katten, die ongestoord door elkaar krioelden en rondwroetten in de etensresten die op straat waren blijven liggen. Vlak voor hij de herberg binnenging, waarbij het hem opviel dat de kerstkrans was verdwenen, hoorde Hans het eentonige gezang van een nachtwaker die de hoek om kwam met een kap over zijn hoofd en een zwak lichtje aan het eind van een lange stok:

Naar huis nu mensen, vooruit,
de kerkklok heeft zes geluid!
Waakt over lampen en haardsteden
en looft de Heer in uw gebeden!

Meneer Zeit keek verbaasd op toen hij hem zag, alsof hij had verwacht dat zijn gast met de noorderzon zou zijn vertrokken. In de herberg was alles rustig, maar toen Hans langs de keuken liep zag hij zes vuile borden op het aanrechtblad gestapeld staan, waaruit hij opmaakte dat er nog vier andere gasten waren. Dat rekensommetje klopte niet. Terwijl hij naar de trap liep ging een tengere gestalte de woning van de Zeits binnen met de kerstboom en een doos kaarsen. Mag ik u mijn dochter Lisa voorstellen? zei mevrouw Zeit, die door de gang kwam aansnellen. Meneer Zeit, tussen muur en balie ingeklemd, hoorde de stilte die daarop volgde en brulde: Lisa, zeg meneer eens gedag! Lisa wierp een schalkse, nieuwsgierige blik op Hans, haalde licht haar schouders op en ging naar binnen zonder een woord te zeggen.
De Zeits hadden zeven kinderen gehad. Drie van hen waren getrouwd en twee waren er overleden aan de mazelen. Lisa, de oudste, en Thomas, een springerig jongetje dat al snel de kamer binnen kwam stuiven toen Hans noedels en brood met boter zat te eten, woonden nog bij hen. Wie ben jij? zei Thomas. Ik ben Hans, zei Hans, en Thomas antwoordde: Dan ken ik jou niet. Meteen daarop pikte hij een noedel van Hans’ bord, tolde in de rondte en rende de gang op.
Zodra hij Hans de trap op hoorde gaan wurmde de waard met moeite zijn buik los en kwam vragen of hij van plan was de volgende dag te vertrekken. Hans had dat allang besloten, maar doordat meneer Zeit zo aandrong voelde hij zich opgejaagd, en om hem dwars te zitten zei hij dat hij het nog niet wist. De waard leek buitengewoon in zijn nopjes te zijn met dat antwoord en was opeens zelfs zo vriendelijk om te vragen of hij nog iets nodig had op zijn kamer. Hans zei van niet en bedankte hem. Toen hij zag dat meneer Zeit zich niet verroerde, zei hij op welwillende toon dat hij, met uitzondering van het Marktplein, de straten van Wandernburg wat donker vond, en hij vertelde over de gasverlichting in Londen en Berlijn. Hier hebben we al dat licht niet nodig, zei meneer Zeit terwijl hij zijn broek ophees, we hebben goede ogen en vaste gewoontes. Overdag gaan we naar buiten, en ’s nachts slapen we. We gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Waarom zouden we gas willen?
Op zijn rug op bed, gapend van vermoeidheid en verwondering, nam Hans zich serieus voor: morgen pak ik mijn biezen en ga ik ergens anders heen.
De nacht blafte, miauwde.
Boven op de Windtoren leek de windwijzer, die de mist doorkliefde, uit zijn hengsels te vliegen.