Honger

‘De kapitalistische triage – het selectieproces – van de mensheid heeft al plaatsgevonden. Jan Breman waarschuwde toen hij over India schreef: “Er is een point of no return bereikt als een reserveleger dat staat te wachten om te worden opgenomen in het arbeidsproces wordt gestigmatiseerd als een permanent overbodige massa, een excessieve last die noch nu, noch in de toekomst kan worden geïntegreerd in de economie en de maatschappij. Die metamorfose is in mijn ogen de werkelijke crisis van het mondiale kapitalisme.” De CIA op zijn beurt schreef in 2002: “Eind jaren negentig had de verbluffende hoeveelheid van één miljard mensen, een derde van alle arbeidskrachten op de wereld, geen baan of geen volledige baan. Het grootste deel daarvan bevond zich in de zuidelijke landen.” ’ Aldus de ons inmiddels bekende Mike Davis in Planet of Slums. Verderop schrijft hij: ‘Dat miljard is niet identiek aan de sloppenwijkbevolking maar overlapt haar wel en is de minst geziene en snelst groeiende sociale klasse op aarde.’

Mensen hadden altijd een functie. India was daar een goed voorbeeld van. Eeuwenlang vormden de allerarmsten er zowel de spotgoedkope arbeidskracht die het voedsel produceerde dat de rijken aten als het spotgoedkope personeel dat het hun opdiende. En ze waren inwisselbaar, ze werden niet gezien als individuen maar als soort. Aangezien het niemand iets kon schelen of ze leefden of dood gingen functioneerden die honderden miljoenen als kosteloze reserve en als pressiemiddel om de lonen op een erbarmelijk niveau te houden.
Het is het klassieke model: in maatschappijen waar veel menselijke arbeidskracht werd gebruikt waren mensen een noodzakelijk hulpbron. We weten bijvoorbeeld dat het Romeinse Rijk problemen had om aan slaven te komen. Een van de oorzaken van het verval was dat, toen het eenmaal een wereldmacht was, het steeds moeilijker werd die arbeidskracht met veroveringstochten aan te vullen. We weten dat de miljoenen arbeiders die de Europese Industriële Revolutie nodig had van het platteland kwamen omdat de landbouwtechniek aanzienlijk was verbeterd en zij naar de stad trokken om de machines in de fabriek te bedienen. En ook werklozen hadden hun economische functie. Er kon druk mee worden uitgeoefend op de werkenden om harder te werken en minder loon te accepteren: ze konden immers ieder willekeurig moment worden vervangen. We weten dat iedere agrarische maatschappij tot voor enkele decennia gebaseerd was op de zware, niet-aflatende arbeid van haar boeren.
Er zijn systemen die hun hulpbronnen optimaal weten te benutten: iedereen krijgt een taak toebedeeld die in hun streven van pas komt. Het evenwicht is wankel en houdt – uit historisch oogpunt bekeken – niet lang stand. Of wordt helemaal niet bereikt als de omstandigheden er niet naar zijn: als de verbetering van bepaalde technieken waardoor arbeidskracht vrijkomt niet samengaat met een grotere behoefte aan arbeidskracht voor andere taken.
In de huidige wereld waar machines zo veel efficiënter zijn geworden, is er arbeidskracht – zijn er mensen – teveel. Oorlogen en epidemieën, waar de bevolkingsgroei altijd door werd gereguleerd, zijn de laatste tijd ondanks alles aanzienlijk afgenomen. Mensen leven langer, kinderen sterven minder: we zijn met te veel. Maar dat geldt niet in zijn algemeenheid: alleen sommigen zijn teveel.

Het is een volslagen absurde situatie; ik weet niet of die zich ooit eerder met deze intensiteit, in deze omvang heeft voorgedaan. Soms denk ik dat het een van de grootste veranderingen van de laatste eeuw is. Voor het eerst in de geschiedenis is een zesde, of misschien wel een vijfde deel van de wereldbevolking overbodig. Omdat het onsmakelijk is ze zomaar dood te laten gaan houden we ze drijvend, ondervoed, zó dat ze net niet van honger omkomen.