Marinaleda

In de Sierra Sur, tussen Osuna, El Saucejo en Los Corrales, ligt een gebied van ongeveer 8000 hectaren braakliggende heuvels. Aangezien een van onze eisen herbebossing was kozen we die plek uit om te bezetten.

Uit de verschillende dorpen in de omgeving zouden zo onopvallend mogelijk vanaf verschillende punten bussen vertrekken naar het landgoed van Aparicio, dat aan kilometerpaal 11 op de weg van Osuna naar Martín de la Jara ligt. Dat laatste was eigendom van Javier López de la Puerta, voorzitter van ASAGA, de werkgeversorganisatie.

Op 11 juli hielden we ’s avonds in Marinaleda een bijeenkomst. Er werd verteld dat het een moeilijke aktie zou zijn die risico’s met zich meebracht en dat niet duidelijk was hoe lang we er zouden blijven. Er werden vrijwilligers gevraagd en bijna iedereen stak zijn hand op, hoewel we hadden gezegd dat er in principe maar zo’n 30 à 35 personen nodig waren.

’s Morgens vertrokken we . Iedereen had dekens, een schop en brood bij zich. De blikken van de achterblijvers en van degenen die in de bus stapten kruisten elkaar bij wijze van afscheid en een een eensgezinde omhelzing. Heel vroeg in de ochtend kwamen we aan, net als de bussen uit Marchena, Osuna, Los Corrales, Morón de la Frontera…

Snel verspreidden we ons over de heuvels. Eén groep bezette het braakliggende landgoed van Bocatinaja om herbebossing te eisen. Een andere groep bezette het landgoed van Aparicio, waar olijfbomen op stonden waar al vijftien jaar niets aan gedaan was, om onteigening te eisen van grond die niet in kultuur werd gebracht.

Allereerst begonnen we de grond te bewerken, om te laten zien wat we wilden. En terwijl sommigen de grond rond de olijfbomen omspitten, maakten degenen die aan de andere kant van de weg waren opgesteld het terrein schoon. Zo waren we heel de ochtend bezig tot de Guardia Civil verscheen. Ze verzochten ons te vertrekken, maar wij antwoordden dat we niet weg zouden gaan voordat de regering op onze eisen zou reageren.

Inmiddels sloten zich steeds meer dagloners uit de omgeving bij ons aan. De dag liep ten einde en de solidariteit uit de omliggende dorpen was indrukwekkend.

De avond viel en we moesten een plek zien te vinden voor de nacht. Boven op de heuvel van Bocatinaja was een vlak stuk terrein. Daar spreidden we onze armoedige bedden om uit te rusten.

Er werden verschillende groepjes georgaseerd die elk om de beurt twee uur de wacht zouden houden. De grootste groep bezetters bevond zich boven, op het vlakke stuk terrein dat moeilijk toegankelijk was. Aan de andere kant van de weg, waar de brommers en auto’s stonden geparkeerd, zat een kleinere groep. Een van de bezetters stelde de portofoon ter beschikking die hij tijdens zijn migrantentijd uit Duitsland had meegebracht. Zo konden we elkaar op de hoogte houden van wat er gebeurde. Het was voor het eerst sinds 1936 dat dagloners de nacht doorbrachten op een bezet landgoed.

De volgende ochtend verspreidden we in de hele omtrek pamfletten waarin we om solidariteit vroegen; een solidariteit die voortdurend groter werd. In het pamflet werd ook een oproep gedaan alle arbeiders van Andalucië.

Marinaleda doet nu in grote getalen mee: mannen, vrouwen, kinderen, ouden van dagen… we zijn er bijna allemaal. Marinaleda is zo goed als leeg. Zij die achterbleven vertelden dat ze het dorp er nog nooit zo verlaten bij hadden zien liggen.

Tegen twee uur ’s middags arriveerde de Guardia Civil met het bevel mij naar de kazerne in Osuna over te brengen. Via een open megafoon ontwikkelde zich een dialoog tussen de Guardia Civil, die me mee wilde nemen en me daarna weer vrij zou laten, en de bezetters, die weigerden mij te laten arresteren. Uiteindelijk kwam het tot een akkoord: ik zou naar Osuna gaan onder voorwaarde dat ik daar niet langer dan twee uur zou blijven.

Ik werd naar de kapitein van de kazerne gebracht die vroeg wanneer we dachten op te stappen. Ik antwoordde: ‘Wanneer de regering zich verwaardigd met Andalucië te onderhandelen.’ ‘Jullie moeten het landgoed van Aparicio ontruimen, want de situatie is zeer gespannen en ik voel er niets voor in te grijpen.’ Daarop antwoordde ik dat ik daar niets over kon zeggen, dat daar in de vergadering van bezetters een besluit over zou worden genomen als de tijd rijp was. Ten slotte deed hij me een voorstel: ‘Jullie komen naar beneden en ik bel de regering om te kijken of ze bereid zijn tot een gesprek.’

Met dat voorstel ging ik terug naar het landgoed van Aparicio, waar het door de vergadering unaniem werd verworpen. Iemand stelde zelfs voor het land dat we bezet hadden te omheinen om te laten zien dat het ons menens was en om duidelijk te maken dat we er zo lang als nodig was zouden blijven zitten.

De hitte was niet te harden. Het water werd schaars, want er kwamen steeds meer bezetters bij en de karaffen die we hadden, een stuk of twintig, waren niet toereikend. Eten was er daarentegen genoeg, want veel winkeliers uit de dorpen droegen hun steentje bij door allerlei levensmiddelen te laten bezorgen. Die dag deed het valse gerucht de ronde dat Paco Casero, algemeen secretaris van de SOC (Vakbond van Landarbeiders), door de minister van Werkgelegenheid zou worden ontvangen.

Het was rond negen uur ’s avonds. We hielden een vergadering. Alles was in gereedheid gebracht om de tweede nacht in te gaan. Toen verscheen de Guardia Civil onder aanvoering van de kapitein van Osuna.

Er ontspon zich een dialoog vanaf de weg naar de top van de heuvel. De kapitein verordonneerde ons het terrein onmiddellijk te ontruimen. We antwoordden dat we hij ons minstens even tijd moest geven ‘want hierboven zitten kinderen en zwangere vrouwen, en dat weet u.’

We waren nog in gesprek toen plotseling een enorm geschreeuw losbarstte. Een groep guardia’s was achterlangs de heuvel opgeklommen en begon ons naar beneden te duwen. Het hielp niets dat we de kapitein toeriepen zijn troepen bevel te geven te stoppen. Er werd geschreeuwd en geslagen, mensen gleden uit, vielen over elkaar heen, en alles mengde zich met angst en hysterie… Het is puur toeval dat er geen doden zijn gevallen.

Later werden Paco Casero, José Antonio Guttierez, voorzitter van de SOC in Osuna, Pepe Taranto de Morón en ik gearresteerd. Eerst brachten ze ons naar de kazerne in Osuna. Het dorp kwam zowat in opstand. Daarna werden we, twee aan twee geboeid, overgebracht naar Sevilla waar ze ons in de kerkers van La Gavidia smeten.