Het verdwenen jaar van Salvatierra

Het was al bijna donker toen ik op het busstation van Barrancales aankwam. Ik nam een taxi naar het huis, waar nog steeds geen licht was. Er waren wel kaarsen, die we een paar maanden geleden hadden gekocht, en dankzij een telefoontje van Luis naar een oude vriend die bij de gemeente werkte was het water weer aangesloten. In de kamers hing een vochtige kou die maar niet wilde verdwijnen.

Geplaagd door de geesten van het huis sliep ik die nacht slecht. In een van de kamers stond nog een heel stel vuilniszakken met kleren en andere spullen van mama. Zij had haar leven lang van alles verzameld en bewaard. De spullen die papa had nagelaten pasten daarentegen in één enkele zak: een horloge, een scheerkwast, een kam, een tandenborstel, zeven overhemden… Het leken wel de persoonlijke bezittingen van een gevangene. Het lijstje met hun huwelijksfoto hing nog altijd aan de muur. Het was zo’n zwart-witopname die later is bijgekleurd, en ze zagen er alle twee heel jong en onzeker uit. Ze waren in 1945 getrouwd, zonder dat hun familie daar erg achter stond. Mijn oma van moederskant wilde niet dat haar dochter trouwde met een simpele postbeambte, die ook nog eens stom was. Mijn grootouders van vaderskant wilden al evenmin dat hun zoon trouwde met de dochter van een in de gemeenschap van Barrancales onbekende, teruggetrokken levende weduwe. Maar door de ophanden zijnde komst van mijn broer Luis, die al vorm begon te krijgen in de buik van mijn moeder, moest iedereen zijn bezwaren inslikken.
Salvatierra heeft de plechtigheid (die plaatsvond in de tuin van een kapel die allang is afgebroken) op zijn doek van bovenaf geschilderd, alsof er iemand vanuit de klokkentoren op neerkeek. De beide families zitten tegenover elkaar op twee banken die langs het middenpad staan opgesteld. Die van mijn vader is talrijk, robuust, neemt te veel plaats in, en de verwanten worden door dikke, rode aderen, als wortels, met elkaar verbonden; die van mijn moeder is beperkt, etherisch, met een paar doorschijnende tantes en wat verre familieleden die op het laatste moment zijn gewaarschuwd, en worden verbonden door bijna onzichtbare bloedlijntjes. De wirwar van beide familieaders komt via mijn grootmoeders bijeen in mijn ouders. De priester houdt zijn preek en wijst op de buik van mijn moeder waar al het bloed samenvloeit. Uit de rechterarm van mijn vader loopt een ader naar beneden die in z’n eentje wegstroomt naar de rivier.

Veel van die dingen kon ik de volgende paar dagen die ik in de schuur doorbracht in alle rust bekijken, voordat de Nederlanders van de Stichting Röell arriveerden. Als Aldo opdook hielp hij me een paar van de rollen naar beneden te takelen, die ik later op de vloer uitrolde en aandachtig bestudeerde, zonder een detail over te slaan. Soms was het alsof ik mijn vader nu pas leerde kennen. Er waren portretten van mensen die ik nooit eerder had gezien: mannen met groene gezichten die in een winkel zitten te drinken; streng kijkende, al lang overleden oude vrouwen in het zwart; levensecht overkomende, ouderwetse gauchos die aan het eind van de middag terugblikken op het brandmerken van het vee, of aan het slachten zijn en met bebloede armen naast een rund staan dat van boven tot onder opengesneden naar de hemel ligt te gapen. Soms kwamen er door de beelden ook momenten uit ons eigen leven bij me naar boven: honden die in huis hadden gewoond en die ik al was vergeten, of de brand van 1958 die tot aan de zuidkant van Barrancales oprukte. Over een lengte van bijna negen meter heeft Salvatierra het enorme gebied met brandende weidegronden geschilderd, de schuin opstijgende rookwolken, het vreemde, sacrale licht; precies zoals we het die avond met de hele familie langs de kant van de weg hebben gezien.
Tijdens het kijken vroeg ik me van alles tegelijk af. Wat was deze verweving van levens, mensen, dieren, dagen, nachten en catastrofes? Wat betekende het? Wat voor leven had mijn vader gehad? Waarom had hij behoefte gevoeld dit enorme karwei op zijn schouders te nemen? Wat was er met Luis en mij gebeurd dat we in zo’n grijs bestaan in de hoofdstad terecht waren gekomen, alsof Salvatierra alle beschikbare kleur naar zich toe had getrokken? In het licht van het schilderij, op een paar afbeeldingen waar we als tieners groene peren zitten te eten, zagen we er een stuk levendiger uit dan nu, met ons dagelijks leven van notariële aktes en contracten. Het leek alsof we allemaal, wij, Estela en mama, door het schilderij waren opgeslokt. Die hele, schitterende tijd in de provincie was door het doek geabsorbeerd. Er was iets bovenmenselijks aan het werk van Salvatierra, het was te veel. Ik had altijd grote moeite gehad ergens mee te beginnen, soms zelfs met de meest eenvoudige dingen zoals ’s morgens opstaan. Ik dacht dat ik alles óf op de grootse manier van mijn vader moest doen, óf niet moest doen. En ik moet bekennen dat ik er vaak voor koos niets te doen, waardoor ik het gevoel kreeg dat ik ook niets voorstelde.

Salvatierra kon wel een uur lang zonder te schilderen voor het doek staan, of bij de potkachel die in de koudste maanden een hoekje van de schuur verwarmde, en soms zat hij in een kappersstoel die hij ooit op een veiling had gekocht. In gedachten verzonken staarde hij, waarschijnlijk prakkiserend over wat hij zou gaan schilderen, roerloos voor zich uit. Kwam er plotseling een vlieg voorbij dan greep hij die in één handbeweging uit de lucht. Hij miste nooit.
Hij stemde de radio af op de lokale zender, die Paraguyaanse polka’s, chamamé’s en chamarrita’s ten gehore bracht, zoals gebruikelijk onderbroken door stemmen die alsmaar dezelfde reclame herhaalden en eindeloos verslag deden van het carnaval.
Met dat geluid op de achtergrond zat hij af en toe voorovergebogen, met zijn hoofd in zijn handen gesteund. Als je hem niet kende zou je denken dat hij depressief was, maar hij ging gewoon volledig op in zijn werk. Plotseling kon hij opstaan om een paar lijnen op het doek te zetten. Of om boeken met gravures en schilderijen door te bladeren die in een stelling stonden te verstoffen. In de loop van de tijd verzamelde hij een hele bibliotheek kunstboeken, vooral na 1960 toen de eerste kleurenuitgaven werden gedrukt. Ik herinner me een reeks die ‘Kunstkabinet der genieën’ heette. Hij hield van heel veel verschillende kunstenaars: van Velázquez, van de stillevens van Zurbarán, van Carravaggio (hij had een poster van De Bekering van Paulus met een punaise aan een van de steunbalken geprikt), van Degas, Gauguin en Cándido López, maar ook van de metamorfoses van Escher, van foto’s van Romeinse friezen en van minoïsche fresco’s. Hij was geïnteresseerd in middeleeuwse altaarstukken waar dezelfde persoon meerdere keren in het landschap voorkomt. Hij kon uren naar dat soort schilderijen kijken. Ik weet dat hij voortdurend probeerde bij te leren. Alles wat hij kon gebruiken nam hij in zich op en maakte hij zich op volkomen ongedwongen wijze eigen. Salvatierra had nooit de kans gehad musea te bezoeken; zijn boeken waren voor hem een manier om zich te blijven ontwikkelen.
Soms zocht hij iets op een grote tafel die uit een tabaksfabriek kwam en waarop hij dingen verzamelde die door de rivier waren aangespoeld of die hij zomaar ergens had gevonden: droge bladeren, insecten, stukken blik, botten, wortels, half vergane stukken hout, afgeronde stenen die in indianenslingers werden gebruikt, stukjes gekleurd glas, van alles en nog wat. Hij nam een van de voorwerpen in zijn hand en bestudeerde het uiterst nauwkeurig om het ergens op het doek te kunnen schilderen.
Ik weet nog dat we ’s middags na een storm een keer een ommetje gingen maken en ik een tor met een lange hoorn opraapte die door de modder kroop, zo een die ze hier ‘stiertje’ noemen. Ik nam hem mee naar de schuur en de volgende dag zag ik dat Salvatierra hem gigantisch groot, over de hele hoogte van het doek, had afgebeeld. Door hem uit te vergroten (hij bekeek dingen soms echt met een loep) had hij heel precies de uitstraling van kille machine getroffen die sommige insecten hebben; die tor was net een pantservoertuig met zijn getande poten, zijn kleine, meedogenloze ogen en die enorme hoorn waar hij zijn prooi op kon spietsen, een overduidelijk dodelijke hoorn op de kop van een compact lichaam. Dat soort studies van planten of insecten leken wel Gods schetsen voor zijn schepping. Eerst verscheen er bijvoorbeeld een gedetailleerde studie van een libel, alsof hij bezig was haar uit te vinden en voor het eerst in het universum van zijn doek ging opnemen. In verschillende kleuren schilderde hij haar van boven, van onder en van voor. En pas na een paar weken, als hij haar alweer leek te zijn vergeten, dook de libel vanzelf, maar nu levendig en kleiner, heel natuurlijk binnen de sfeer van een of ander tafereel weer op.
Het verbaasde me altijd hoe dingen in zijn werk verschenen en verdwenen. Het doek was één langgerekt buitenleven waar wezens konden vertrekken en een hele tijd later weer tevoorschijn konden komen. In de muziek gebeurt iets dergelijks met thema’s die in verschillende variaties terugkeren. Salvatierra schilderde een keer een jong haasje dat ik ergens had gevonden, en later, al was de haas inmiddels overleden, schilderde hij hem slapend in het gras. ‘Is dat die van mij?’ zei ik, en hij knikte bevestigend. ‘Waar zat ie verstopt?’ vroeg ik, en hij wees naar zijn penselen en de kleuren.
Misschien komt het door dat grenzeloze buitenaspect dat het me moeite kost het doek een schilderij te noemen, want ‘schilderij’ is een woord dat een kader suggereert, een omlijsting die iets behoedt, en dat is precies wat Salvatierra wilde vermijden. Het ging hem juist om het ontbreken van een grens of een toevluchtsoord, om het onvermijdelijke contact tussen de verschillende ruimtes. In zijn werk zijn grenzen poreus, is ieder schepsel aan een ander overgeleverd, gevangen in de wreedheid van de natuur. Alles is een prooi. Ook de mens.
Salvatierra wilde de indruk wekken dat ieder schepsel dat eenmaal in het werk was opgenomen de plek waar het was geschilderd kon verlaten, zich voort kon bewegen en ergens anders op het doek weer kon verschijnen. Niemand vindt bescherming. Zelfs de taferelen in de beslotenheid van een huis bieden geen beschutting of veiligheid, altijd ligt er iemand in het schemerduister op de loer, of iemand ligt te slapen terwijl de zieke fauna van zijn nachtmerries via de spiegel de kamer binnendringt. Er is geen binnen, er is geen thuis, alles is onbeschut in dat eindeloze territorium van kleuren.
Salvatierra schilderde iedere dag. Elke zaterdag zette hij met blauwe verf de datum onder aan de plek waar hij was gekomen. Er waren weken waarin hij vijf meter haalde, en weken dat hij maar één meter schilderde; nooit minder. Dat varieerde naargelang de details van ieder onderdeel. Maar hij stopte nooit, want voor hem stopte het doek zelf nooit. Blijkbaar was dat zijn manier om z’n blokkade te doorbreken. Het doek leek zich vanzelf aan de linkerkant voor eeuwig op te rollen. Hij mocht niet terug. Als iets dat af was hem naderhand niet beviel, dan schilderde hij het verderop met een enkele verandering nog een keer, maar hij schilderde nooit ergens overheen. Wat eenmaal geschilderd was kon niet meer worden veranderd, evenmin als het verleden.
Op het doek is de kracht die als een stortbeek voortdendert soms zo groot dat dingen over beginnen te hellen, steeds minder tegenwicht bieden. Op sommige stukken zijn de figuren horizontaal geschilderd, meegesleept door de stroom van het leven, alsof de kracht van de tijd de zwaartekracht overtreft. Die instabiliteit werd na de dood van mijn zusje, in 1959, steeds duidelijker. Salvatierra begon heel verlaten, behoorlijk naargeestige uithoeken van het platteland te schilderen met hoge doornstruiken en acacia’s. Het zijn beelden waar iedere centimeter is doordrongen van onbarmhartig leven. Op een ervan staat een meisje doodstil terwijl hordes mieren langs haar benen omhoog kruipen en een zwerm bijen om haar hoofd vliegt en haar gezicht bedekt. De hele ruimte toont een strijd tussen wezens die elkaar steken en verorberen, elkaar gebruiken om te overleven en zich voort te planten.
Later beeldde Salvatierra mijn zusje op een minder schrijnende manier af: verdronken, alsof ze sliep, gezuiverd door de rivier, een Ophelia in warm, troebel water. Salvatierra had de kracht van de rivier op zijn doek willen zetten, en in ruil daarvoor had de rivier zijn dochtertje van twaalf jaar oud opgeëist. De rivier had haar langzaam maar onverbiddelijk meegevoerd, zonder dat hij er iets aan kon doen. En zo schilderde hij haar: Estela verdronken in het stille water tussen de wilgen; Estela tussen de monsterlijke vissen, haar haren verward in het riet langs de oever, haar zware jurk, haar gesloten ogen in het zacht stromende water; Estela nauwelijks zichtbaar onder de oppervlakte, tussen de in het water weerspiegelde wolken
Dat is het moment dat alles over begint te hellen door de wervelwind van de tijd: omvergeduwd door een onzichtbare stroom komen mensen horizontaal te staan, bomen buigen hun verwarde kruin naar beneden, de dieren, de regen, alles valt onherroepelijk om. En daarna draaien ze verder, duikelen om, en op een moment dat mijn vader bijna waanzinnig was, denk ik, is alles volledig uit balans en keert het hele universum ondersteboven, het landschap komt op zijn kop te staan, de lucht ligt onder en de aarde boven, alsof mijn vader de wereld weer zag met het angstige gevoel aan de stijgbeugel te hangen van een op hol geslagen paard dat tussen de bomen door weg galoppeert.