Pedro Mairal, over oude en nieuwe generaties

Literair weblog De Contrabas
Luc de Rooy, in een nieuwe, prachtige bijdrage over de hedendaagse Latijns-Amerikaanse letteren.

Pedro Mairal, over oude en nieuwe generaties
In een vorig artikel had ik het in een voetnoot over de jongste generatie Latijns-Amerikaanse schrijvers: schrijvers die niet meer de Zuid-Amerikaanse dictaturen, drugs of geweld als onderwerp van hun boeken nemen, schrijvers die geboren zijn tijdens een van de dictaturen, maar er zelf geen rol meer in gespeeld hebben, een generatie schrijvers die altijd de verhalen over die periode heeft moeten horen (en lezen!), maar eigenlijk iets heel anders wil aankaarten in hun verhalen. Schrijvers die de magisch-realistische literatuur en de Latijns-Amerikaanse boom achter zich willen laten, maar ook niet als de post-boom hyperrealistische geweldsromans willen presenteren. En met bovenstaande omschrijvingen heb ik het bijvoorbeeld over schrijvers als Álvaro Enrigue, Samanta Schweblin, Alejandro Zambra, Andrés Neuman, Valeria Luiselli en Pedro Mairal.

Van deze laatste schrijver, Pedro Mairal (Buenos Aires, 1970), is onlangs een eerste titel in het Nederlands verschenen. Het verdwenen jaar van Salvatierra, vertaald door Corrie Rasink, en uitgegeven bij Athenaeum‒Polak & Van Gennep. Het is een bijna achteloos verteld verhaal over een man die op zoek gaat naar het verleden van zijn vader, de schilder Juan Salvatierra, die zijn leven met één enkel schilderij heeft opgetekend; een langwerpig schilderij, van bijna vier kilometer aan elkaar genaaid doek, dat alle gebeurtenissen in Salvatierra’s leven toont in fantastische beelden: ‘Het schilderij dat ons allen omarmde, die ruimte waar schepsels vrij en onbeperkt konden bewegen omdat er nergens een grens was, omdat er nergens een eind aan kwam.’ Tijdens het inventariseren van het doek, om het aan een Nederlands museum te kunnen verkopen, ontdekt de verteller dat er één jaar uit het schilderij ontbreekt. Uiteraard gaat hij vervolgens hiernaar op zoek, en ontdekt enkele verborgen gebeurtenissen.

Hoewel het verhaal erg mooi verteld is, is deze plot niet zo overweldigend. Een minder begaafd schrijver had deze opzet ook kunnen bedenken. Gelukkig is Mairal niet in het idee blijven hangen, maar heeft er meer mee gedaan: het boek draait om veel meer dan deze plot. Een van de interessantste elementen die Pedro Mairal in Het verdwenen jaar van Salvatierra aan de orde brengt, is het voorbijgaan van generaties, alsof hij wil zeggen: als een vorige generatie is geweest, mag een nieuwe, jongere verteller het verhaal vertellen. Op een nieuwe manier (waar de vader van de verteller schilderde, schrijft de verteller het verhaal op, in de vorm van het boek dat de lezer in handen heeft), en met een nieuwe stijl.

Laten we Juan Salvatierra, de schilder, eens van dichtbij bekijken. Hij verzamelt spullen – dingen ‘die door de rivier waren aangespoeld of die hij zomaar ergens had gevonden: droge bladeren, insecten, stukken blik, botten, wortels, half vergane stukken hout, afgeronde stenen die in indianenslingers werden gebruikt, stukjes gekleurd glas, van alles en nog wat’. En wie herkennen we daar? Neruda natuurlijk, de dichter-verzamelaar uit Chili. Verder schilderde Salvatierra nogal wat vissen waar we de gouden visjes van José Arcadio Buendía in zouden kunnen herkennen. En zag ik niet ook vlinders en libellen voorbijkomen, die zo uit Honderd jaar eenzaamheid zouden kunnen zijn gevlogen? Maar als de visjes, de vlinders en die verzameldrift niet overtuigend genoeg zijn, dan kunnen we in het werk van Salvatierra wel degelijk het magisch-realisme terugvinden, dat twee generaties geleden vrij spel had in de Zuid-Amerikaanse letteren, en waar schrijvers als Rulfo, García Márquez, Asturias, en Guimarães Rosa groot mee werden.

Maar met de dood van de schilder gaat die periode voorbij, en Mairal lijkt met een simpele (achteloze, schreef ik al) verteller te willen zeggen dat de tijd van barok magisch-realisme achter ons ligt, en dat we terugkeren, van de grootse familie-epossen, naar de kleine geschiedenissen van simpele lui die met hun eigen kleine sores te kampen hebben. Overigens vindt Salvatierra dat ook, net voor hij overlijdt: ‘Toen Luis, mijn broer, hem de dag voor zijn overlijden […] vroeg: ‘Papa, wat zullen we met het doek doen?’ glimlachte hij en maakte met zijn arm dat achteloze gebaar waarmee je iets over je schouder gooit, het verleden in, alsof hij wilde zeggen: “Dat maakt niet uit, ik heb ervan genoten.”’ Dus ook de vader zegt: dat was eens, maar nu, bij mijn dood, mag een nieuwe generatie het roer overnemen en nieuwe kunst maken.

Er zit nog een mooi gegeven in het boek. De verteller noemt zijn vader zo ongeveer negen op de tien keer ‘Salvatierra’, en maar slechts enkele malen ‘mijn vader’. Is het respect? Een generatiekloof? Wellicht. Maar laten we het van een andere kant bekijken: Mairal geeft het boek ook de titel ‘Salvatierra’ mee. (Wat dat betreft jammer dat de Nederlandse vertaling langer is geworden.) Als we het respect uit die generatiekloof daarvanaf pellen, zou het boek net zo goed ‘Mijn vader’ kunnen heten, en blijkt het boek een ode aan vaders, aan ouders, en aan de generatie die vooraf ging aan die van de verteller, en aan die van Pedro Mairal.

Pedro Mairal (1970) is geboren in Buenos Aires, waar hij Engels doceert aan de universiteit. Zijn debuut, Una noche con Sabrina Love, werd verfilmd. In 2007 werd hij opgenomen in Bogotá39, een lijst van de 39 beste Latijns-Amerikaanse auteurs onder 39. Zijn laatste roman, Salvatierra, werd onlangs naar het Nederlands vertaald als Het verdwenen jaar van Salvatierra. Vertaalster van dat boek was Corrie Rasink, en de uitgave verscheen bij Athenaeum‒Polak & Van Gennep. Mairal onderhoudt samen met twee andere schrijvers een weblog: El señor de abajo.