De ballade van Johnny Sosa

De vorige dag was ze, nadat ze het huis van dokter Fronte had schoongemaakt, de pastoor, die boeken had geruild in de kiosk van Santaria. toevallig tegengekomen. Ze hadden het over Johnny gehad en de geestelijke had haar bestraffend toegesproken. Het gebeurde midden op het plein en zeer tegen zijn wil. Het was duidelijk te zien dat het hem moeite kostte om in het openbaar te staan praten met een vrouw die in concubinaat leefde en weigerde het sacrament te ontvangen. ‘Het wordt tijd dat die man van jou eens uitscheidt met die fratsen in die tent, je weet wel welke ik bedoel,’ zei pastoor Freire, terwijl hij twee oorlogsromans van Clark Carrados verborg achter een dikke pil met zwarte kaft en op snee vergulde bladzijden.

Ze bedacht dat als die woorden uit de mond van de Libanees van het fourniturenwinkeltje of welke andere leek dan ook waren gekomen, ze hem zonder pardon naar de hel had gewenst en, net als iedere donderdag, haar weg naar de wijk op de helling zou hebben vervolgd. Maar ze wist dat een slechte verstandhouding met de pastoor betekende dat ze voor de rest van haar leven iedere nacht akelige politieke nonsens zou dromen. Dus moest ze braaf voor de priester blijven staan en het enige wat ze durfde te vragen was waarvan Johnny zou moeten leven als hij niet in bordelen zou zingen. Dat ook zij graag zou zien dat haar zwartje ergens anders dan op die plek, waar hij uit pure noodzaak zo vaak naar toe ging, een kans zou krijgen.

Met een gezicht dat rood was aangelopen van de wijn die hij bij de weduwe Paroli had genuttigd, stond de man met het zwarte gewaad midden in de zon na te denken over wat de blonde had gezegd en maakte tenslotte een nauwelijks waarneembaar gebaar, alsof hij de voorzienigheid raadpleegde of hij nu wel of niet moest zeggen wat hij dacht. Met een snelle hoofdbeweging besloot hij van wel en na even haar zwakke punten te hebben afgetast vertelde hij dat hij Johnny’s situatie al met kolonel Werner Valerio had besproken, toen op de dorpsvergadering werd bekeken of die plekken waar zich voornamelijk Braziliaanse vrouwen ophielden niet voor eens en voor altijd konden worden gesloten.

‘Iedereen vindt dat lohnny een formidabele stem heeft,’ zei de pastoor. ‘Maar het zou goed zijn als hij zich eens afvroeg waar hij zou moeten zingen als die smerige tent wordt gesloten.’

Met het welwillende gezicht van iemand die het verloren schaap beslist nog een kans wil geven, voegde hij daar nog aan toe dat als lohnny genegen zou zijn om in het Spaans te zingen, maestro Di Giorgio zich misschien wel over hem zou kunnen ontfermen en, als de tijd rijp was, een plaats bij een orkest met enige toekomst voor hem zou kunnen regelen.

‘Zoiets zal mij nou nooit gebeuren,’ zou ze later tegen lohnny zeggen toen ze hem over de ontmoeting op het plein vertelde, diep onder de indruk van het feit dat er nog mensen bestonden die zich het lot van haar zwartje aantrokken, al was het alleen maar door te erkennen dat hij een geweldige stem had. ‘Als mijn naam ooit nog eens genoemd wordt, dan zal dat alleen maar zijn omdat ik van die fijne oliebollen voor dokter Fronte bak, maar zo’n mazzel als jij zal ik niet hebben. Waarom ga je niet meteen met die Di Giorgio praten om te vragen of hij een fatsoenlijke zanger vanje wil maken?’

Toen Johnny haar zag huilen zoals ze nog nooit had gehuild, raakte hij diep ontroerd omdat ze zo haar best deed om hun beider lot een andere wending te geven. En hij bedacht dat hij, zelfs al werd hij opnieuw geboren, geen tweede vrouw als blonde Dina zou tegenkomen en dat hij dus van nu af aan, als hij enige dunk van zichzelf had, rekening moest houden met de mening van iemand die het had aangedurfd om met een verliezer te leven.

Johnny was helemaal in de war en bracht enige dagen zwijgend door zonder een besluit te kunnen nemen. Rusteloos liep hij van hot naar her, legde een paar nieuwe zaaibedjes aan, een voor erwten en een hoge langwerpige, met planken langs de zijkant voor uien, en bedacht toen met een enorme geeuw dat hij voor de zekerheid eigenlijk nog een derde zou moeten aanleggen omdat hij, vanwege een verstikkende slingerplant, niet wist of het zo wel goed zou gaan. Wat hij ook niet wist was waar die nostalgische gevoelens vandaan kwamen, gedachten die hij nooit eerder had gedacht en die in feite te maken hadden met de vraag hoe een neger als hij was geworden wat hij was.

‘Goh, wat zou er van Melias Churi terechtgekomen zijn?’, vroeg hij zich af terwijl hij de uien op handafstand van elkaar in de grond stopte. Hij probeerde zich voor te stellen wat er zou gebeuren als hij de volgende dag heel vroeg opstond, in de keuken voor het gat in de lemen muur ging zitten kijken tot het zeven uur was, en dan het radiootje op twee batterijen aan zou zetten. Maar omdat er in deze tijd van het jaar geen magisch nevelspel meer door het gat naar binnen kwam, wist hij dat hij daar alleen maar verbitterd door zou raken. Het enige wat hij zou bereiken, zei hij tegen zichzelf, was dat hij erachter zou komen wie de verrader was die de man van het gouden ochtenduur had vervangen, een of andere duistere figuur die nooit zo’n buitengewoon verhaal te vertellen kon hebben als dat van de gigant van Austin, waarvan alleen hij het einde kende. ‘Misschien is er wel niemand op dat uur: dacht hij. ‘Misschien is het wel verboden om om zeven uur ’s ochtends in een microfoon te praten, want voor de militairen is het strontvervelend om mensen die zo vroeg praten in de gaten te moeten houden.’

Het was duidelijk dat hij zich ellendig voelde, zonder enige leidraad en, wat erger was, op het punt om het weinige dat hij in de waagschaal had gesteld om een zanger met een eigen verhaal te worden te verliezen. Een zwarte man die weliswaar geen opleiding had genoten, maar voor wie ooit het moment zou komen waarop hij de verliezers zou kunnen vertellen hoe hard zijn verleden was geweest, dat hij net als Lou Brakley de zwaarste baantjes en de meest denigrerende lonen had geaccepteerd en alle noodzakelijke offers had gebracht. Maar nu hij net de zaaibedden had begoten en op een vrijdag tegen het vallen van de avond over dat alles nadacht, was hij daar niet meer zo zeker van.

Op zijn kabouterstoeltje achter de hortensia’s gezeten keek hij, zonder te zien, naar wat hij had gedaan en voelde hij de ogen van blonde Dina in zijn nek prikken. Hij wist dat ze ongeduldig voor het open raam stond te wachten tot hij eindelijk eens een beslissing zou nemen in zijn leven. Ook bereikte hem de herrie van dat vervloekte Japanse apparaat, dat de vrouw van Nacho Silvera, een hete mulat die zelfs nog in haar slaap zou kunnen dansen, drie boerderijen lager keihard had aangezet.

‘Die klotenegers laten me niet denken,’ klaagde hij, zich ervan bewust dat dat het zoveelste excuus was om wat hem als een zuur laatste oordeel voorkwam nog even voor zich uit te schuiven.

‘Een mooi ding moet dat toestel van Nacho zijn,’ riep zij luchtigjes uit het raam in een poging hem jaloers te maken, waarmee ze eigenlijk op haar manier waarschuwde dat zijn tijd nu bijna om was.

‘Een prul zul je bedoelen,’ zei hij onvriendelijk, omdat de manier waarop de blonde hem zonder enig respect tot een beslissing dwong hem niet beviel. Ze zou er vast anders over denken als ze hem, al was het maar één keer, op het podium van de Chantecler zou hebben zien staan, gebogen over de fonkelende snaren, de Black Diamond als een mitrailleur op de nazi’s gericht, die het maar niet wilden snappen. En toch snapte iedereen het, dacht hij. Hij trof hen regelrecht in het hart, en nog ergens anders.

‘Maar de tijden veranderen en het licht dooft,’ verzuchtte hij en gaf zich gewonnen. Hij stond op en liep met zijn mate in de hand naar het keukenraam. De blonde voelde zijn nabijheid en als de belaagde onschuld bleef ze met gebogen hoofd naarstig op haar vernielde hoopjes peterselie inhakken.

‘Het is goed,’ zei Johnny. ‘Ik ga met maestro Di Giorgio praten, al zou ik niet weten wat hij met me wil.’

Ze nam hem met glinsterende ogen op, alsof ze wilde zeggen ‘arm, lief zwartje van me, je pad gaat bepaald niet over rozen’, maar ze zei niets. Ze liet hem naar de slaapkamer gaan om zich helemaal in het zwart te kleden en het zilveren medaillon om te hangen, waarna hij met dezelfde lange stappen als anders de helling afdaalde in de richting van het huis dat de pastoor haar had genoemd. En daar ging hij. Onderweg had Johnny die onmiskenbare waakzame uitdrukking op zijn gezicht van iemand die denkt: Ik ga, maar mij nemen ze niet te grazen.

Maar ze namen hem wel te grazen, zonder dat ze daar woorden aan vuil hoefden te maken. De notabelen die de taak op zich hadden genomen om hem te veranderen, hadden in hun vrije uurtjes zitten verzinnen hoe hem de lust om te zijn wat hij wilde zijn kon worden ontnomen. Een onderneming die in een sportief jasje werd gestoken en die Johnny pas doorzag toen het uur der tragedie nabij was en zijn dromen de duisternis niet langer konden verlichten.

Het begon allemaal op zomaar een avond – hoewel tegen die tijd niemand er meer erg van overtuigd was dat er in Mosquitos nog iets gebeurde wat toevallig was -, waarop de groep notabelen zweeg en wachtte tot de ouwe hardop zijn gedachten uiteen zou zetten en zou vertellen op welke manier hij de neger een nieuwe weg zou laten inslaan. Maestro Di Giorgio was een oude tenor van zekere komaf, die in een ver verleden betrokken was geweest bij een of andere vete, iets met een door zoutzuur verbrand gezicht van een vrouw en een verraderljke violist. Die vete kon hij alleen maar vergeten door een uithoek van de wereld op te zoeken, vooropgesteld dat daar een biljarttafel en beschaafde mensen die elkaar iets verrassends te melden hadden aanwezig waren.

Maar al leek deze uithoek zich in Mosquitos te bevinden, toen hij had begrepen dat de schaarse verlichte geesten de keu niet kruisten met de lanterfanters die zich in café Euskalduna ophielden, de enig, plek in het hele dorp waar een groene tafel te vinden was, had de Italiaan het al snel klaargespeeld om een trouwe bezoeker van de barbecues van dokter Fronte te worden, aan te pappen met kolonel Valerio toen die ten tonele was verschenen en beiden met zijn intellectuele gesprekken en onbegrensde horizonten te imponeren. Hij sprak over het ‘Scala’ van Milaan zoals Johnny Sosa over de Chantecler sprak en op die samenkomsten was er niemand die meer genoot dan pastoor Freire van de verhalen over de muzikale pausen die een dubbelIeven leidden of de voorbeeldige levenswandel van Carlo De Luca, Fiorello Vastias en Gironella, mannen die in de theaters van Europa hadden geschitterd nadat maestro Di Giorgio maandenlang bezig was geweest hen te leren tijdens het zingen op magistrale wijze de diepe ‘oe’ te articuleren.

Vandaar dat Johnny, die al vanaf vroeg in de avond onder de wijnranken stond te wachten tot er een eind aan de anekdotes zou komen, geen greintje argwaan koesterde toen de oude man, bij het licht van een grote lamp op de patio van dokter Fronte, vol bewondering zijn amandelen bekeek en hem verzekerde dat, als hij stap voor stap zijn raad zou opvolgen, kolonel Valerio hem wel een handje zou helpen om aan het Festival van Kust tot Kust mee te kunnen doen, zodat hij met zijn lied het dorp Mosquitos kon vertegenwoordigen zonder zich te hoeven verlagen tot de trucs die gevierde zangers daarvoor plachten uit te halen.

Johnny was helemaal beduusd van het voorstel en stond zwijgend in de rook van de worstjes die de kolonel met de kling van een bajonet steeds maar weer omdraaide. Terwijl hij stond na te denken en de anderen de ijsklontjes in hun amberkleurige glazen lieten ronddraaien, gaf de oude man een verhelderende uiteenzetting aan dokter Fronte, een man met altijd en eeuwig hetzelfde vest, die geen nee kon zeggen en over wie het verhaal de ronde deed dat hij brillantine in zijn schaamhaar smeerde, over de wijze waarop Toscanini zijn onbekende musici recruteerde. ‘De grote maestro,’ vertelde hij, breed gebarend als een predikant, ‘liep allerlei gehuchten af, enkel en alleen om naar de fanfarekorpsen te luisteren die zondags op de pleinen spelen. Dronkelappen, werklozen en bohémiens van het allerlaagste allooi werden door Toscanini uitgekozen en tot geniale artiesten van deze eeuw gemaakt.’ En zich tot Johnny richtend, die bijna onzichtbaar achteraf in een hoek van de patio stond waar praktisch geen licht kwam, voegde hij eraan toe: ‘En dat kan ik met jou ook doen, jongen.’

De kolonel deed alsof hij alleen wilde zijn en nam afwezig een flinke slok van zijn whisky alvorens zich weer naar het vuur om te draaien. Maar zijn aandacht werd getrokken door een kortstondige flonkering van het medaillon aan Johnny’s halsketting en over zijn glas heen wierp hij een vluchtige blik op de neger, die zich met zijn houding geen raad wist, maar zei geen woord. Tenslotte liep hij weer naar de barbecue, gaf pastoor Freire, die krom zat van de honger en zo wijdbeens dat zijn gewaad een hangbrug tussen zijn knieën vormde, een klap op zijn schouder en zei op gemoedelijke toon:

‘Eerwaarde, ik denk dat die worstjes nu wel klaar zijn.’

Op dat moment besefte Johnny dat niemand met eten zou beginnen zolang hij aanwezig was. Hij moest dus iets zinnigs zeggen voordat hij zich terug kon trekken en voordat dokter Fronte een van zijn bevliegingen zou krijgen en hem bijvoorbeeld opdracht zou geven om in het donker het onkruid te wieden of een bak ijsklontjes bij de bar te halen.

‘Nou, ik ga,’ zei hij plompverloren.

‘Je gaat?’ vroeg de kolonel, terwijl hij een nog knetterend worstje in de lengte opensneed. ‘Ja,’ antwoordde Johnny, niet hard en niet zacht.

‘Ja, meneer, zeg je dan,’ corrigeerde de kolonel hem.

‘Ja, meneer,’ zei Johnny hem na.

Maar dat vond hij niet vervelend. Integendeel, met een vreemd gevoel van ongemak realiseerde hij zich dat de toon van de militair hem dermate had bekoord dat hij, als hij hem in een dronken bui ergens anders was tegengekomen, met genoegen in het Engels zou hebben geantwoord. Om een of andere duistere reden moest hij denken aan de kalme, ferme toon van een majoor die hij op een bloedhete middag in Fort Lamarie had gezien. Terwijl hij de laatste gruwelijke aanval van een troep roodhuiden probeerde te weerstaan, had de oude officier op resolute wijze een ontegenzeglijk heroïsch bevel gegeven, dat een krachtig ‘jès súr!’ ontlokte aan de kapitein met zijn van dorst gebarsten lippen, de werkelijke held van het verhaal, die het bevel, door de palissade van het fort heen, onverwijld ten uitvoer moest brengen in een nacht die net zo duister was als de reden waarom Johnny’s gedachten zo ver afdwaalden.

‘Goed, jongen … wat spreken we af?’ vroeg de maestro opeens. ‘Lijkt het je wat om in het Spaans te zingen en net zo te glimlachen als andere zangers?’

Johnny wierp zijn hoofd in zijn nek en keek de maestro argwanend aan, zich afvragend wat voor grijnzend addertje er onder het gras verscholen zat. Iedereen in Mosquitos wist dat wanneer Johnny wat nors deed en geen vriendelijke glimlach toonde als iemand hem groette, dat niet kwam doordat hij een neerslachtig type was, maar simpelweg doordat hij geen goed gebit in zijn mond had. Sterker nog, hij had ook geen slecht gebit, want om dat te kunnen zeggen, moet je er toch minstens een hebben. En al jarenlang, al sinds het moment waarop zijn tanden een voor een los begonnen te zitten en lachend naar elders vertrokken, was zwarte Johnny’s tandvlees zo kaal als de knieën van een vrome katholiek.

Maar de schrandere ouwe doorzag waarom hij met zijn ogen stond te knipperen en hielp hem uit de nood.

‘Ik weet wat je denkt, jongen,’ zei hij. ‘Eerst zul je je een nieuw gebit moeten laten aanmeten en daarna kom je bij mij voor zangles. Je zult zonder enige pretentie helemaal opnieuw moeten beginnen … ‘

Terwijl hij zat te eten, waarbij hij luide keelgeluiden voortbracht, keek de kolonel hem aan. ‘Waar houd je het meest van, van bolero’s of tango?’ vroeg hij.

Johnny kon zijn oren niet geloven: dat een krijgsman hem iets over muziek vroeg! Hoe dan ook, hij hield noch van het een, noch van het ander, maar hij bedacht dat als hij hun de waarheid zou vertellen, als hij zou zeggen dat hij van de blues hield en hoe blauwer hoe beter en dat hij niet van plan was van genre te veranderen, ze zouden gaan steigeren en wat erger was, hem met lege handen zouden laten staan. ‘Zijn tanden waren de spiegels van zijn ziel,’ zei Melías Churi graag in ‘Het gouden ochtenduur’, daarmee doelend op het effect van Lou Brakley’s glimlach als de vriendschap beklonken moest worden.

‘Bolero’s,’ zei Johnny.

‘Ik hoopte al dat je dat zou zeggen,’ glimlachte de kolonel en bleef met open mond doorkauwen. ‘Morgen ga je naar de barakken en je zegt tegen de tandarts dat je de zanger van kolonel Valerio bent. Dan snapt hij het wel….’

Dankzij een zekere kennis van de dorpsbewoners en hun moeilijke kanten, waarover zelfs pastoor Freire in het schemerduister van zijn biechtstoel niets te horen kreeg, was dokter Fronte als enige in staat om Johnny’s werkelijke gedachten te doorzien, maar hij hield zijn conclusies voor zich. Hij was er zeker van dat de neger ronduit stond te liegen, maar wist niet waarom deze er werkelijk van weerhouden werd om te zeggen wat hij bij een andere gelegenheid maar al te graag zou hebben gezegd. Namelijk dat de bolero iets voor zwijmelende mietjes was. Het ergerde hem dat Johnny de sluwe vos probeerde uit te hangen, maar onder invloed van de alcohol vroeg hij zich tegelijkertijd af of zo’n neger zoals daar voor hem stond misschien niet zo hard door het leven was getroffen dat hij alleen nog maar zwakke emoties kon voelen.

‘Eén ding nog: merkte dokter Fronte plotseling op, met een vinger op zijn borst wijzend. ‘Mij neem je niet te grazen: we zullen iets moois van je maken, maar in dat bordeel laat je je niet meer zien.’

Johnny wist niet of zijn stem niet zou gaan trillen en hield zijn mond.

‘Zo, zo, je houdt dus van bolero’s …’ zei de kolonel over zijn kin strijkend alsof dokter Fronte niets had gezegd.

‘We sturen de hoertjes van Mosquitos terug naar Brazilië, maar ze krijgen er hier een ster voor in de plaats, wat vinden jullie daarvan?’

Pastoor Freire schonk een kruik wijn leeg in de glazen en begon te vertellen over de roemruchte schandalen die pater José Mujica in de jaren vijftig in Mexico had veroorzaakt toen hij van het altaar was gestapt om liefdesliedjes te gaan zingen. De kolonel vond het een mooi voorbeeld en terwijl hij zijn Belgische bajonet omklemde om zijn woorden kracht bij te zetten zei hij dat pater Mujica onder dergelijke geestelijke vertwijfeling zijn soutane had moeten afleggen om te kunnen blijven zingen. Hij vertelde ook nog dat hem veel gevallen uit de geschiedenis bekend waren van mensen met twee onverenigbare passies waarvan ze er een moesten opgeven, want als men beide bleef koesteren, zou de ene de andere uiteindelijk onverbiddelijk te gronde richten. ‘Tenslotte zal het slachtoffer zich met een glazige blik in de ogen uit eigen beweging naar het abattoir begeven,’ zei hij.

Buiten was het stil. Zo’n dorpse stilte waarin alleen het stuntelige gefladder van de insekten die tegen de lampen te pletter vliegen het trommelvlies van wie denkt en luistert bereikt.

De drie mannen praatten verder over andere, onbekende onderwerpen, en sloegen geen acht meer op de vierde persoon, zodat het zo sterk leek alsof hij weg moest dat Johnny zich opeens realiseerde dat hij de poort van de patio achter zich sloot en op de stoep stond.

Een paar soldaten die naast het cordon in een jeep zaten te roken en ongelooflijk zacht tegen elkaar fluisterden, zagen hem daar als verlamd staan, met ingehouden woede, niet wetend welke kant hij op zou lopen.

Ze zwegen even en bleven hem in het donker zitten gadeslaan, maar toen Johnny geen voet verzette stapte een van hen met luid wapengekletter uit het voertuig. Met de autoritaire houding van iemand die gewend is anderen te overbluffen liep hij langzaam op Johnny toe tot hij hem zo dicht genaderd was dat hij hem kon ruiken, en greep hem toen stevig bij zijn elleboog.

‘Doorlopen, vriend,’ zei hij. ‘Als de kolonel naar buiten komt en hij ziet je hier staan hangt-ie je aan je ballen op.’

‘Net zoals pater José Mujica.’ zei Johnny, zonder precies te weten waarom. Met een bruuske beweging rukte hij zich los uit de greep van die kerel die hem van zijn plek probeerde te trekken en liep op goed geluk naar de meest beschuttende duisternis van het dorp, waar hij zich kon laten overspoelen door de rijkelijk bloeiende kamperfoelies en niet al die waarschuwingen van de mensen hoefde aan te horen.