Wolvemaan

Niemand kon hem van zijn plan afbrengen. Zelfs Ramiro niet. Juan was de enige die nog nooit naar beneden was geweest.
‘Moeder wacht op me. Ik zal eten en dekens mee terug nemen.’
‘Ik ga met je mee.’
‘Nee. Ik ga alleen. Jullie zijn al een paar keer geweest. Vannacht is het mijn beurt om mijn leven te riskeren.’
Juan heeft het machinegeweer en het pistool van zijn broer gepakt. Hij heeft een handvol patronen in zijn zak gestopt en is weggelopen over de hei, richting La Llánava. We hebben hem nagekeken tot we hem achter de horizon van de bergpas zagen verdwijnen.

‘Ángel.’
Het is de stem van Ramiro. Weer.
‘Wat?’
‘Slaap je?’
‘Ik heb geen slaap.’
‘Hoe laat zou het zijn?’
‘Ik weet het niet. Twee uur. Halfdrie.’
‘Hij blijft lang weg, vind je niet?’
Ramiro zwijgt en kijkt naar het vuur. Hij kijkt naar het vuur en verwacht van mij een antwoord dat hij niet krijgt.

Tegen de ochtend komt de wind opzetten. Hij slingert zich om de jas die voor de ingang hangt, duikt even onzichtbaar op in de grot en verdwijnt weer bergafwaarts.
Juan is nog steeds niet terug.
Ramiro komt van buiten en dooft het vuur.
‘Het wordt licht,’ zegt hij.
Gildo en ik kijken hem zwijgend aan.
‘Er is iets gebeurd met Juan.’
Ik ben al een hele tijd mijn machinegeweer aan het invetten om mijn zenuwen de baas te blijven.
‘Er is iets met mijn broer gebeurd,’ schreeuwt Ramiro opeens helemaal overstuur. ‘Blijf daar niet zo zitten!’
Gildo kijkt naar me en weet niet wat hij moet doen. Hij weet net zo goed als ik dat we tot de avond niets anders kunnen doen dan hier blijven wachten.

De hele dag door speuren we om beurten met de verrekijker de vallei af: de dichte bergbegroeiing, de wegen, de oevers van de rivier, de straten van La Llánava, de verlaten zwarte lijn van de spoorweg.
Niets. Geen spoor van Juan. En geen enkele aanwijzing dat hij daar beneden geweest zou zijn.
In de kazerne lijkt niets in het ritme van de patrouilles en het wachtlopen erop te duiden dat er iets ongewoons zou zijn voorgevallen.

De molen verheft zich streng en somber naast de beek waar de schoepen van het waterrad nu in rust in het water hangen. Het geluid van het water dat schuimend tegen de waterkering slaat is overdonderend. Maar de kale populieren langs de weg worden door een diepe, aangename winterse
kalmte omgeven.
Achter het raam van de molen brandt licht: een gele opeenhoping van licht dat zijn stralen werpt over het schuim bij de waterkering en de wilgen langs de oever.
Tomás, de molenaar, is alleen in de keuken. Door het raam zie ik vaag zijn gestalte. Hij leunt met zijn ellebogen op tafel waar nog de resten van het avondeten staan en zit met zijn rug naar het haardvuur. Het is elf uur ‘s avonds. Tomás woont alleen in de molen, die van het dorp gescheiden wordt door de rivier. Tot hij naar bed gaat doodt hij de tijd met het luisteren naar de nieuwsberichten op de radio. De nachtelijke kou en de angst om onderweg iets of iemand tegen te komen maken het niet erg aantrekkelijk om naar het café te gaan.
Maar vandaag krijgt Tomás bezoek. Zo laat nog. Dat kan haast niet. Hij luistert aandachtig en zet de radio zachter. Ja, daar is het. Nu heeft hij het duidelijk gehoord: een zacht klopje, gedempt door de rijp op het raam.
De molenaar staat op en loopt langzaam naar het venster. Achterdochtig tuurt hij de duisternis in.
Als hij me ziet en herkent, is hij met stomheid geslagen.

‘In de bergen?’
‘Al een maand. U zult het wel waanzin vinden.’
Tomás heeft de grendel voor de deur gedaan en de luiken gesloten. Hij doet ook de radio uit. Hij weet niet dat Gildo buiten de wacht houdt.
‘Wat ik waanzin vind,’ zegt hij, ‘is dat jullie hiernaar toezijn gekomen. Jullie brengen jezelf in gevaar en mij ook.’
‘Ik weet het. En het spijt me. Het spijt me echt. Maar we hebben uw hulp nodig. Daarom zijn we hiernaar toe gekomen.’
Ramiro staat bij de deur en luistert toe. De ogen van de molenaar gaan afwisselend van hem naar mij. Hij denkt vast dat we hem komen vragen om ons in de molen te verbergen. En het is duidelijk dat dat idee hem niet erg aanstaat.
Hij weet wat voor gevaar hij daarmee zou lopen.
‘Wat willen jullie?’
‘We zoeken mijn broer.’ Ramiro heeft eindelijk zijn stilzwijgen verbroken. ‘Hij is bij ons in de bergen. Gisteravond is hij naar huis gegaan om dekens en eten te halen en hij is nog niet terug.’
‘En je wilt dat ik naar jullie huis ga om uit te vinden wat er gebeurd is.’
‘Precies,’ zegt Ramiro. ‘Voor ons is het te riskant. Als ze mijn broer hebben opgepakt, houden de guardia’s nu zeker het hele dorp in de gaten.’
‘Als ze hem opgepakt hadden,’ probeert Tomás ons gerust te stellen of misschien wel om een excuus voor zichzelf te vinden, ‘zou dat al bekend zijn. Je broer zit vast in huis verborgen.’
Ramiro en ik kijken hem aan zonder antwoord te geven.

De molenaar, die onbeweeglijk voor ons staat, lijkt steeds besluitelozer te worden. Hij is ongetwijfeld bang om alleen naar La Llánava te gaan in deze ongewone nacht vol angst en voorgevoelens. In deze vreemde, van kou doortrokken nacht.
Maar hij heeft niet de moed ons verzoek om hulp af te wijzen.
‘Blijf hier op me wachten,’ zegt hij ten slotte terwijl hij op de klok kijkt en zijn pelsjas pakt. ‘Ik ben zo terug.’

De kerkklok slaat twaalf als we hem over de weg zien terugkomen. Er is niet meer dan een halfuur verstreken.
Gildo en ik staan naast Ramiro bij het hek van de molenbeek. Geen van beiden kon de spanning van het wachten in de donkere keuken nog langer verdragen. We zien Tomás aankomen met de handen diep in de zakken van zijn pelsjas en zijn lichaam voorovergebogen om op te tornen tegen de storm.
Hij schrikt als hij ons aan de kant van de weg ziet opdoemen.
‘Hij is er niet,’ zegt hij tegen Ramiro. ‘En gisteravond is hij ook niet geweest.’
‘Gisteravond is hij ook niet geweest?’
De molenaar aarzelt een moment en zegt dan: ‘Inderdaad. Tenzij je moeder me wat heeft voorgelogen.’ Een koude rukwind heeft zijn laatste woorden afgebroken.
Plotsklaps verstomt het geluid van het water bij de waterkering. De hemel wordt loodgrijs en boven de populieren lijkt de maan uiteen te vallen als een overrijpe vrucht.

Dat is het voorteken: boven de troosteloze velden, in de eindeloze uitgestrektheid van de nacht, boven de rivieren en wegen, voor eeuwig verbonden in hun eenzaamheid, begint het te sneeuwen met een plotselinge, vertrouwde zachtheid.

[[Lees meer]]

In de laatste boomgaarden, al dicht bij het kerkhof, steekt de storm weer op. Loeiend komt hij de berg af en de toppen van de bomen krommen zich als heilige dieren die buigen voor de god die langsgaat.
Binnen een paar minuten – de tijd die we nodig hadden om van de molen tot hier boven te komen – heeft de sneeuw de weg met haar witte kleed bedekt. Een zandweg met een hek erlangs die door de boomgaarden en de weiden langs de rivier loopt en moeizaam tegen de helling van het kerkhof omhoog kruipt voordat hij op de berg een kronkelig veepad wordt.
Het was op deze plek, toen we de open berghelling betraden, dat we totaal onverwacht door de schoten werden overvallen: een aaneengesloten geweervuur dat plotseling vanaf de oude lemen muren van het kerkhof losbrak.
Als ik weer in staat ben me te bewegen, lig ik op mijn buik midden op de weg. Op goed geluk, verblind door de sneeuw, met om me heen het bijtende staal van de flitsende kogels, zoek ik de beschutting van de heidestruiken waar Gildo woest en vastberaden met zijn machinegeweer in de aanslag ligt.
‘Schiet! Schiet!’ Het is de stem van Ramiro achter me. ‘Ze maken ons af!’
De nacht explodeert als een kruitvat, wordt een ijzingwekkende, vernietigende maalstroom. De sneeuw, de wind, het geknetter van het mitrailleurvuur, alles smelt in de nacht samen tot een vaag, onontwarbaar geheel. Het lawaai is niet te harden. Overal vliegen de kogels in het rond en ketsen fluitend af tegen de grond.
‘We moeten hier weg!’ schreeuwt Gildo naast me, steeds maar doorvurend. ‘We moeten hier weg!’
‘Hou vol! Hou vol!’
Platgedrukt op de weg haalt Ramiro een handgranaat uit zijn gordelriem. Hij rukt het slagpijpje er met zijn tanden uit en werpt hem met alle kracht naar de onzichtbare schaduwen van de guardia’s.
De knal is oorverdovend en overstemt even de stemmen van de guardia’s en het nerveuze geknetter van hun mitrailleurs. Een paar lange, eindeloze seconden waarvan wij gebruik maken om wanhopig door de sneeuwstorm de berg op te rennen, de nacht in.
‘Schiet! Vooruit! Geef me dekking!’
Ramiro heeft de volgende granaat al in zijn hand. En voor de guardia’s kunnen reageren zorgt een tweede explosie ervoor dat ze weggedoken achter de muren blijven zitten. En weer rennen we, rennen we de berg op met alle kracht die in ons is, rennen we door de hei en de sneeuwvlagen, rennen we de donkere diepte van de nacht in, naar de nabije redding van die rotsen die boven op de helling de grens tussen leven en dood markeren.
Plotseling een klap tegen mijn knie. Een onverwachte doffe klap. En een blauwe brandende pijn vlamt in mijn been omhoog.
‘Wacht op me! Wacht! Ik ben geraakt!’
‘Rennen! Niet stoppen! Niet stoppen!’
Ik werp me tussen het struikgewas op de grond en sleep me uit alle macht naar de rots. Gildo staat boven al te schieten.
Ramiro laat zich naast me vallen.
‘Waar? Waar ben je geraakt?’
‘Hier, in mijn knie.’
De brandende pijn wordt steeds heviger, steeds feller. Ik probeer het hete kloppen met mijn handen te bedwingen.
‘Hier, bind die zakdoek eromheen.’
Ramiro grijpt mijn machinegeweer en klimt boven op de rotsen, naast Gildo.
‘Stil. Niet schieten,’ zegt hij. ‘Hier komen ze niet.’

Een paar minuten later komt er met een kort en wanhopig salvo een eind aan het vuren.
De nacht weigert de zo intense stilte te accepteren. Maar onmiddellijk daarna begint de grijze storm weer te loeien tussen de hei om de leegte te vullen die het kruit heeft achtergelaten. In de verte worden achter de ramen van La Llánava her en der verspreid al wat lichten ontstoken.
Een voor een komen de guardia’s achter de lemen muren vandaan.
Eerst lopen ze achterdochtig en angstig naar de weg toe. Daarna denken ze blijkbaar dat we al aan de andere kant van de berg zijn, ver buiten hun bereik, verloren in de nacht. Het zijn er maar vier. Een hele tijd zoeken ze met hun zaklantaarns nog het veepad af, het dichte struikgewas van de hei, de grillige contouren van de rotsen voor ons.
Ramiro had gelijk: ten slotte reiken de lichtbundels van de lantaarns boven de rotsen uit tot aan de hemel, zonder dat de guardia’s omhoog durven te klimmen om ons te zoeken.

Op de pas van Illarga ligt de sneeuw al tien centimeter hoog. De storm is gaan liggen en in de bergen heerst nu een zware, koude en vredige kalmte. Ik leun op Gildo’s schouder en bij iedere stap zak ik weg in de sneeuw. Zonder een moment rust, zonder ook maar heel even te stoppen om om te kijken naar het lange spoor van stilte dat wij tussen de laarzen van de guardia’s en onszelf trekken, voel ik alleen nog maar de bittere, schrijnende pijn die als een plagend insekt door mijn knie zoemt. De rotsen worden reusachtig groot voor mijn ogen. De sneeuwvlokken en de hei smelten samen en vallen vaag en gevoelloos tegen mijn handen en gezicht uiteen.
Ik voel dat ik flauw ga vallen. Ik voel dat zich in mijn hoofd een zwart diep meer begint te vormen.
‘Stop,’ smeek ik. ‘Ik kan niet meer.’
Gildo blijft staan en laat me in de sneeuw zakken. Hij haalt de bebloede zakdoek van mijn knie om de wond te bekijken.
‘Kom op, Ángel. Volhouden. We zijn er bijna.’
Hij wast de zakdoek in de sneeuw uit en bindt hem weer stijf om mijn knie. Het vocht verdooft het gezoem van het insekt. Maar daarvoor in de plaats trekt een ijskoude huivering als een zweepslag over mijn rug.
Ramiro veegt met een tak het bloedspoor in de sneeuw weg. Hij vraagt: ‘Kun je verder?’
‘Ja,’ antwoord ik, zonder te weten of ik wel in staat zal zijn om op te staan. En ik kan het niet. Ik voel geen enkel deel van mijn lichaam meer.
Met zijn tweeën tillen ze me op. Gildo hijst me op zijn rug en begint moeizaam te lopen.

Vlak bij de grot laat Gildo me weer in de sneeuw zakken en pakt zijn machinegeweer.
Ramiro gaat vooruit. Hij loopt de bremstruiken in en controleert met zijn zaklantaarn de veiligheidstekens, tekens die nauwelijks te zien zijn: een dwars gelegde tak, een blikje, een stuk touw. We hebben ze bij de ingang van de grot uitgezet zodat we het onmiddellijk zullen merken als er hier tijdens onze afwezigheid iemand is geweest.
‘Juan?’
De stem van Ramiro snijdt als een scherp mes door de ijzige rotsen.
‘Juan? Ben je daar?’
Maar niemand antwoordt.